Luxe motor

In de jaren twintig van de vorige eeuw begonnen de kleinere schepen op de korte afstanden het al te verliezen van de gemotoriseerde weg- en railvervoer. Zeilschepen werden extra uitgerust met motorvermogen, ofwel een opduwertje erachter, een lamme arm (motortje op het voordek en een schroef naast het schip ter hoogte van het zwaard), ofwel een ingebouwde motor. Later haalde men de mast eraf en stookte de zwaarden op in de kachel.

Nieuw typen schepen ontstonden. Een echt ‘overgangsschip’ was de luxe motor  vanaf het begin van de jaren twintig. Het was het eerste soort schip dat standaard met een motor werd uitgerust. In het begin vertrouwden de verzekeringsmaatschappijen dat niet. Er moest een hulpzeil aanwezig zijn. Aangezien deze schepen vaak een heel laad- en losgerei aan boord hadden, was er al een complete mast en daar kon ook wel een zeiltje aan gehesen worden. De typenaam ‘luxe motor’ ontstond vanwege het feit dat het een motorschip betrof, dat bovendien voorzien was van een zogenaamde salonroef. Dat was een voor die dagen luxe woning die los stond van het laadruim.

Vanaf dat moment was de mechanisatie in de binnenvaart een feit. Steeds meer handarbeid werd vervangen door mechanische hulpmiddelen. De binnenvaart is daar altijd heel innovatief in geweest. Schepen werden groter, zwaarden verdwenen en daardoor werd het schip slechter bestuurbaar. Aanvankelijk werd dit opgelost door een koproer, later door een kopschroef (boegschroef). Het moeizame open-en-dichtleggen met zware houden luiken werd makkelijker door het toepassen van lichte, aluminium, gebogen golfplaten en later door steeds grotere units die met mechanische hulpmiddelen konden worden verplaatst. Laden en lossen lagns de rivier was soms een enorm gedoe met ankers, vaarbomen, touwen en zwierbomen. Tegenwoordig is de spudpaal de oplossing. Een druk op de knop en het schip licht stil op de plaats waar u het hebben wilt.

Bron: Leidraad voor sloep- en motorjachtvaarders, Richard Vooren


Vanaf ongeveer 1920 gingen schippers over op het inbouwen van voornamelijk ruw-olie motoren. Vaak waren dit gloeikopmotoren met één cilinder. Bekende merken waren in die tijd Kromhout uit Amsterdam, Industrie uit Alphen aan den Rijn, Bolnes en Deutz AG. Een vreemde eend in de bijt was de Brons uit Appingedam, die met een verstuiverbakje werkte. De motoren van Rennes waren liggende petroleummotoren.

Voor het plaatsen van een motor moest ruimte worden gemaakt, die er eigenlijk niet was. Om de schroef voldoende rendement te geven was een andere vorm van het schip noodzakelijk. Zeilvormen voldeden niet meer en zo werd een nieuwe scheepsvorm ontwikkeld, waarvan het achterschip aan de nieuwste inzichten was aangepast. In dat achterschip werd een soms fraai betimmerde roef ingetimmerd waarbij zelfs een zekere mate van comfort ontstond, die de schippers niet gewend waren. Samen met het kettingstuurwerk met stuurwiel gaf dit allemaal zo’n verbetering van de arbeidsomstandigheden, dat het type schip al snel de naam “luxemotor” verdiende.

Een Luxemotor is in feite afgeleid van de beurtvaarder, een scheepje dat op vaste tijden en vaste routes zijn transporten deed. Het verschil is dat de Luxemotor in het lijnenspel een duidelijke “zeeg” heeft die het meer zeewaardig maakt, naast een boeg met hoog boegboord. Qua maat is zij langer en breder dan een beurtvaarder. Beperkte zeeklasse was bestemd voor luxemotors die zwaarder waren gebouwd dan de standaard luxemotors.

De schepen werden voor alle vormen van vervoer over water ingezet. Als vracht- en passagiersschip en als tanker.

De algemene kenmerken van luxemotors zijn:

  • scherpe boeg
  • duidelijke zeeg
  • geveegd achterschip
  • roef achter de stuurhut
  • theehut vaak toegepast voor de stuurhut
  • slaapvertrek in vooronderruimte
  • oorspronkelijk met stokanker en klipanker uitgevoerd (1925)
  • vaste motor ingebouwd vanaf nieuwbouw
  • de gangboorden waren uitgevoerd met boeisel en later vaak aangepast, verhoogd voor meer laadvermogen
  • Mastwerk voor laden en lossen.

Bron: Wikipedia